DE RECHTEN VAN DE OUDERS IN HET KADER VAN HET OUDERLIJK GEZAG
Het ouderlijk gezag omvat een geheel van bevoegdheden die de ouders kunnen laten gelden t.a.v. hun gemeenschappelijke minderjarige kinderen.
Door de wet van 13 april 1995 werden de bepalingen in verband met het ouderlijke gezag ingrijpend gewijzigd en werd de uitoefening ervan bij niet-samenleven van de ouders losgekoppeld van de omstandigheid bij welke ouder het kind permanent verblijft.
Voor uitspraken van voor die datum blijven de oude regels van toepassing. Aangaande de uitoefening van het ouderlijke gezag geldt vanaf 13 april 1995 het hierna volgende:
EERSTE SITUATIE: DE OUDERS LEVEN SAMEN.
Het basissysteem dat door de wet van 13 april 1995 werd ingevoerd is dat van de gezamenlijke uitoefening van het gezag over de minderjarige en het beheer over zijn goederen.
Het gezamenlijke ouderlijk gezag houdt in dat men als vader of moeder samen met de mede-ouder optreedt voor alle handelingen die gesteld en beslissingen die getroffen moeten worden voor het gemeenschappelijke kind.
Opdat niet telkens de tussenkomst van beide ouders zou worden vereist, bestaat er ten aanzien van derden te goeder trouw het vermoeden dat elke ouder die een handeling stelt, dat doet met instemming van de andere ouder.
Concreet kan derhalve elke ouder individueel beslissingen nemen en handelingen stellen m.b.t. het schoollopen van de minderjarige:
- de keuze van de school en de inschrijving van de minderjarige,
- de keuze voor gewoon of buitengewoon onderwijs,
- de keuze voor godsdienst of zedenleer of de vraag om vrijstelling,
- beroep tegen tuchtmaatregelen,
…
De school kan er dan van uitgaan dat de andere ouder daarmee instemt.
Indien de school echter weet dat de andere ouder niet akkoord gaat met een beslissing of handeling, mag zij de beslissing niet uitvoeren of de handeling niet stellen (vb. inschrijving weigeren).
In geval van onenigheid aangaande een beslissing of een handeling kan elke ouder zich steeds wenden tot de bevoegde rechter.
In het kader van de uitoefening van het ouderlijke gezag, beschikt elke ouder over het recht van toezicht: enerzijds het rechtstreekse toezicht op de eigenlijke opvoeding van de minderjarige en anderzijds het toezicht van de ene ouder op de andere ouder inzake de wijze van opvoeden van de minderjarige door die andere ouder.
Iedere ouder beschikt dienaangaande over het recht om bij de andere ouder en zelfs bij derden alle nuttige informatie in te winnen omtrent de opvoeding van zijn kind en omtrent het beheer van diens goederen.
In geval van weigering door de andere ouder of door een derde kan de betrokken ouder zich tot de bevoegde rechter wenden.
Concreet betekent dit dat wanneer een ouder een beroep doet op dit recht, de school de gevraagde informatie dient te bezorgen: een kopie van het rapport, van de brief i.v.m. extra-murosactiviteiten (= alle leerreizen, bos- en zeeklassen), deelname aan een MDO-gesprek,…
Om diverse redenen kan de school zich niet laten betrekken in geschillen tussen ouders, grootouders, derden,… aangaande het contact met de minderjarige.
De pedagogisch directeur zal in voorkomend geval naar een dienst voor ouderschapsbemiddeling of naar de bevoegde rechter trachten te verwijzen.
TWEEDE SITUATIE : DE OUDERS LEVEN NIET SAMEN.
Uitgangspunt : gezamenlijk ouderlijk gezag
Ook hier geldt als regel dat de ouders het gezamenlijke ouderlijk gezag uitoefenen. Derhalve gelden dezelfde regels als hierboven besproken.
Het feit dat de minderjarige bij een van de ouders zijn hoofdverblijfplaats heeft, doet daaraan geen afbreuk.
Als de ouders niet (meer) samenleven en het basissysteem van de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijke gezag van toepassing is, moeten zij een regeling treffen omtrent “de organisatie van de huisvesting van het kind”, in de praktijk verblijfsregeling genoemd.
Ook in het kader van de uitoefening van deze verblijfsregeling kan de school geen medewerking verlenen.
De pedagogisch directeur zal in voorkomend geval naar een dienst voor ouderschapsbemiddeling of naar de bevoegde rechter trachten te verwijzen.
Eerste uitzondering : exclusief ouderlijk gezag
Is er geen of onvoldoende consensus tussen de ouders omtrent een aantal belangrijke aspecten van de opvoeding van hun kind, bijvoorbeeld de verblijfsregeling, belangrijke beslissingen inzake gezondheid, opleiding, opvoeding, … , dan kan er afgeweken worden van het basissysteem.
Ofwel kiezen de ouders zelf voor een exclusief ouderlijk gezag (bij notariële akte of bij vonnis/arrest), ofwel wordt de uitoefening van het exclusieve ouderlijke gezag door de bevoegde rechter aan een van de ouders toegekend. De ouder die het gezag exclusief uitoefent, oefent het gezag uit over de persoon van de minderjarige en beschikt over het recht de goederen van de minderjarige te beheren en hem te vertegenwoordigen.
De wet bepaalt uitdrukkelijk dat de ouder die niet de uitoefening van het ouderlijke gezag heeft, het recht behoudt om toezicht te houden op de opvoeding van de minderjarige en op het beheer van diensten en goederen.
Met dat doel heeft de ouder die niet het ouderlijke gezag uitoefent, het recht om bij de andere ouder en zelfs bij derden alle nuttige informatie in te winnen omtrent de opvoeding van zijn kind en het beheer van zijn goederen.
In geval van weigering door de andere ouder of door een derde kan de betrokken ouder zich tot de bevoegde rechter wenden.
Ook hier geldt de regel dat de school dit informatierecht dient te respecteren.
In het kader van zijn recht op toezicht kan de ene ouder zich ook steeds tot de jeugdrechtbank wenden om een bepaalde beslissing of handeling van de andere ouder aan te vechten.
Wanneer een van de ouders exclusief het ouderlijke gezag uitoefent, moet tezelfdertijd, ofwel onderling ofwel door de bevoegde rechter, de wijze worden bepaald waarop de andere ouder het recht op persoonlijk contact met het kind waarneemt.
Ook hier kan de school geen medewerking verlenen aan de uitoefening van het recht op persoonlijk contact; de pedagogisch directeur zal ook hier in voorkomend geval naar een dienst voorouderschapsbemiddeling of naar de bevoegde rechter trachten te verwijzen.
Tweede uitzondering : tussensysteem
In geval van exclusieve uitoefening van het ouderlijke gezag kunnen de ouders of de rechter ook bepalen dat er voor bepaalde beslissingen nog overleg moet zijn met de andere ouder.
In dat geval gelden de regels van het gezamenlijke ouderlijke gezag, in het bijzonder het vermoeden van instemming en het recht op toezicht.
In het geval van gezamenlijk ouderlijk gezag kan er bepaald worden dat één ouder over het beslissingsrecht beschikt aangaande bepaalde beslissingen over de minderjarige.
In dat geval gelden de regels van het exclusieve ouderlijke gezag, in het bijzonder het recht op toezicht.